Sleutelvraag 2: Met welke gegevens moet de instructeur rekening houden?
De beginsituatie verwijst naar de uitgangssituatie van de leerling en andere factoren die invloed hebben op het lesgeven. Dit kan betrekking hebben op:
- De leerling (kennisniveau, motivatie, zelfstandigheid, leerstijl, medische status, culturele achtergrond).
- De instructeur (kennis, didactische vaardigheden, creativiteit, motivatie).
- Externe omstandigheden (klasgrootte, locatie, weersomstandigheden).
Soorten Beginsituaties
- Vereiste beginsituatie – De voorgeschreven leerstatus volgens het leerplan.
- Feitelijke beginsituatie – De daadwerkelijke situatie op het moment van de les.
Een instructeur moet flexibel kunnen inspelen op de feitelijke beginsituatie en de les daarop aanpassen.
Inter- en Intra-Individuele Verschillen
- Inter-individueel: Verschillen tussen leerlingen (leeftijd, geslacht, culturele achtergrond, leervoorkeuren).
- Intra-individueel: Verschillen binnen een leerling (motivatie, emotie, studietempo).
Faalangst en Motivatie
- Positief faalangstig: Presteert beter onder druk.
- Negatief faalangstig: Blokkeert onder druk.
Motivatie
- Intrinsiek: Leerlingen die zelf gemotiveerd zijn.
- Extrinsiek: Leerlingen die leren omdat het moet (bijvoorbeeld voor werk of ouders).
Leertempo en Leersnelheid
- Jonge mannen van 18 jaar leren rijvaardigheden snel maar hebben een hoger risicogedrag.
- Leerlingen met een hoog abstractievermogen kunnen verkeersproblemen sneller begrijpen.
Homogene vs. Heterogene Leerlinggroepen
- Homogeen: Leerlingen met een vergelijkbaar niveau.
- Heterogeen: Groepen met veel niveauverschillen, zoals in rijscholen.
Intest (Intoetsing)
Sommige rijscholen testen vooraf het kennisniveau en vaardigheden van een leerling om de benodigde lesuren in te schatten.